Riesling in de lage landen

Riesling in de Lage Landen is mogelijk geworden door de opwarming van het klimaat. De pioniers van onze wijnbouw hebben die opwarming vooral gevoeld tussen de jaren 60 en de eeuwwisseling. Na 2000 tot nu zien we een plateau in de gemiddelde temperatuur en vooralsnog geen verdere stijging. Wijnbouwer Mathieu Hulst van De Apostelhoeve kan over de klimaatsverandering getuigen: vanaf ongeveer 1985 is er op zijn wijndomein geen nood meer aan chaptalisatie (toevoegen van suiker aan de most voor meer alcohol), men plukt rijpere druiven en de wijnen hebben een steeds hoger alcoholgehalte. In warme jaren – en die hebben we de laatste tijd veel – kan een hoeveelheid onvergist restsuiker in de wijn nodig zijn om het alcoholpercentage binnen de perken te houden. Toch in onze Limburgse wijnstreek.

Voor de later rijpende riesling is dat minder een probleem dan voor vroeger rijpende soorten zoals chardonnay, pinot gris en pinot noir. Temeer omdat riesling de zuren heeft om die suikers in balans te brengen. Limburg is de warmste wijnstreek in de Lage Landen met de laagste hoeveelheid neerslag. Riesling heeft die warmte, die zon nodig en daarom is het niet toevallig dat alle wijndomeinen die een 100% Riesling maken, Limburgs zijn. In de Voerstreek bijvoorbeeld, een ander grensgebied tussen Nederland en België, is de gemiddelde temperatuur te laag. Riesling wordt hier, zoals ook in andere koelere streken in Nederland en België, verwerkt in mousserend of in blends. Voor een mooie aciditeit.

Een prachtig terroir voor riesling is het Jekerdal in Maastricht. De Apostelhoeve en Hoeve Nekum telen hier hun edele druiven. De hoge hellingsgraad van de zuidgeoriënteerde wijngaarden verhoogt de zonexpositie van de wijnstokken en de warmte van de nabije stad drijft de temperatuur een of twee graden op. De combinatie van hoge temperaturen, veel zon, een uitgebreid bladoppervlakte, vruchtbare grond (löss op kalksteen) en een goed ontwikkeld wortelstelsel maakt dat hier grote opbrengsten riesling kunnen binnengehaald worden. De opbrengst pinot gris bijvoorbeeld is een heel stuk lager. Die eigenschap is bekend in Duitsland: hoge kwantiteit gaat bij riesling niet per se ten koste van kwaliteit. Tot op zekere hoogte natuurlijk.

In 2018, een topjaar op het vlak van kwantiteit, werden in het Jekerdal rieslingopbrengsten genoteerd van 80 tot 90 hl/hectare. Daar kunnen andere wijnbouwers in de Lage Landen alleen van dromen. Als ze met hun druiven 45 hl/hectare halen, zijn ze al gelukkig.

Momenteel is er zo’n 10 hectare riesling in de Lage Landen, gelijk verdeeld over België en Nederland. Nieuwe rieslingaanplanten zijn er naar mijn weten niet. De vraag stelt zich of het commercieel wel slim is om deze druif te planten. Los van het feit dat de opbrengsten weldadig kunnen zijn. Iedere wijnhandelaar weet dat de consument vooroordelen heeft naar Riesling. Het verkoopt gewoon moeilijk. Al snel zijn er associaties met Duitsland of Elzas en denken mensen dat de wijn te zoet of te zuur zal zijn. De Belgische wijnbouwers vertellen me dat wijnconsumenten hun Riesling eerst moeten proeven voordat ze overstag gaan in de aankoop.

Een beetje zoet in de wijn (tussen 6 en 20 gram restsuiker) blijkt trouwens niet af te schrikken, als je het maar geen zoete wijn noemt. De jongste Rieslingproducent, Gloire de Duras, gelegen nabij de Belgische stad Sint-Truiden, kiest ervoor om zijn druiven extra rijpingstijd aan de stok te geven. Het doel is  een wijn met rijpe fruittonen van sappige perzik, een alcoholgehalte van 12% en 12 à 20 gram restsuiker. De verkoop loopt goed, vertelt wijnboer Peter Nijskens, maar hij voeg eraan toe: Pinot Gris gaat toch gemakkelijker. Ook op basis van wat de andere wijnbouwers zeggen, vermoed ik dat er meer moeite en marketing nodig is om riesling over de toonbank te laten rollen. Trouwens, voor veel wijndomeinen uit koelere regio’s is de druif geen optie. Maar mits goede expositie moet het hier en daar ook buiten Limburg kunnen. Als men rond Leuven albariño en tempranillo rijp krijgt, dan kan riesling in principe ook.

Kwaliteit.

De resultaten van de RieslingTafel waren duidelijk: de kwaliteit van Riesling uit Nederland en België is prima. Daar waren alle wijnjournalisten het over eens. De wijnen konden tippen aan even dure en zelfs duurdere benchmarks uit Australië, Frankrijk, Oostenrijk maar ook Duitsland. Er zaten een tweetal Laaglandse wijnen tussen die lichte vegetale aroma’s hadden, iets dat in Riesling ongewenst is. Het vraagt moed om laat te oogsten maar bij riesling is het absoluut noodzakelijk: de druif moet helemaal rijp zijn om zijn kwaliteit te tonen. Het petrolé-aroma is in de Belgische en Nederlandse Riesling minder opvallend dan in de buitenlandse wijnen, zeker in de jonge wijnen. Met een beetje flesrijping komt de geur vaak wel aan de oppervlakte maar altijd subtiel en fijn. Dat vind ik persoonlijk een pluspunt want uitgesproken petrolé kan ik niet appreciëren. Ook in de Lage Landen is het trouwens zo dat de combinatie van sterk ontbladeren in de druivenzone en hitte leidt tot meer petrolé.

Een ander positief punt, zowel vanuit commercieel als culinair perspectief, is de ‘vriendelijkheid’ van onze Rieslings. De wijnen zijn over het algemeen zacht qua mondgevoel en de smaak is toegankelijk voor iedereen. Ze hebben niet het overweldigende aroma die we bijvoorbeeld in een aantal Duitse Rieslings aantreffen en ook niet die stalige, doordringende zuren waar sommige mensen op afhaken (maar waar Rieslingliefhebbers verzot op zijn). Een grote Duitse droge Riesling is compleet, een verhaal op zich, en daarom niet altijd zo gemakkelijk met een gerecht te combineren. De Rieslings van België en Nederland hebben voor mij op dat vlak voorsprong.

Stefaan Soenen